Ik studeerde biologie in de tijd van de ‘the selfisch gene’ van Richard Dawkins en ‘Sociobiology’ van E. O. Wilson. Hun theorieën vatte ik samen als volgt:
De genen die zijn overgebleven door de evolutie, zijn de genen die zorgen dat je zo veel mogelijk vruchtbare nakomelingen krijgt. De genen sturen gevoelens (instincten). Als je iets doet wat goed is voor je genen voel je je prettig, als je iets doet wat slecht is voor je genen voel je je akelig. Als je bijvoorbeeld te weinig eet, dan voel je honger. Als je eet voel je je weer goed.

Dus na al die eeuwen van natuurlijke selectie zou ik genen moeten hebben die ervoor zorgen dat ik me prettig voel als ik zorg dat ik veel vruchtbare nakomelingen krijg. Want daar zijn die genen toch op uit?
Maar het vreemde was, dat ik daar eigenlijk niet veel van merkte. Na elke geboorte was ik erg gelukkig, maar dat bleef niet zo. Alles went. En ik vroeg me af waarom.
Het antwoord kreeg ik van Richard Dawkins in ‘The blind watchmaker’. Hij maakte duidelijk dat de genen, net als het vrouwtje van Piggelmee, nooit tevreden zijn. Als ze hebben gekregen wat ze willen, gaan ze om meer vragen. Dus na elk kind moet er weer een kind komen. En dat gaat door tot je ongeveer 50 bent. Daarna heb je nog 20 jaar om de jongsten groot te brengen.

Je krijgt op die manier wel erg veel kinderen. Maar dat is niet zo gek. Het grootste deel van onze evolutie speelde zich af in tijden van grote kindersterfte. De genen zijn niet bij de tijd. Ze passen zich aan aan de omgeving. Maar dat gaat erg langzaam. Per generatie.

Volgende bijdrage Vorige bijdrage