Roken

familie

Toen ik dertien was ging ik naar een middelbare school. Omdat mijn vader erg kwaad was op zijn leraar Grieks, vond hij Grieks en Latijn onzin. Wij gingen naar de HBS of het atheneum. Mijn atheneumklas was een erg leuke klas. Dat vonden sommige de leraren tenminste. Maar ik hoorde er niet bij. Dat kwam omdat ik niet rookte. Als je bij een groep wil horen, dan moet je daar wat voor over hebben. Bij ons, een katholieke meisjesschool in Amsterdam, was dat roken. De drie meisjes die niet rookten hoorden er niet bij. En terecht! Wij hadden duidelijk te weinig groepsgevoel.

Mijn moeder verloor haar vader aan longkanker in de tweede wereldoorlog. Zij was 17 en hij 42. Zij en al haar broers en zussen rookten. Pas na de oorlog werd het verband bekend tussen roken en longkanker. Zij zei ons dat je nooit aan roken moest beginnen. Het was moeilijk om ermee te stoppen omdat het verslavend was. Ze wou dat ze er zelf nooit aan begonnen was. Haar jongste broer kreeg longkanker toen ik op de middelbare school zat. Hij is ook niet ouder geworden dan 43 jaar. Hij had een vrouw en twee zoontjes. Dit maakte het roken erg onaantrekkelijk voor mij.
In de zesde klas raakte het in de mode om met roken te stoppen. Ik werd een beetje populairder en zelfs gekozen als klassevertegenwoordiger, samen met iemand anders. Voor de grap, denk ik. Ik ben nogal een warhoofd, dus daar heb ik voor bedankt. Echt getapt werd ik niet. Toen ze 10 jaar later een re√ľnie hielden, werd ik niet uitgenodigd. Omdat ze me niet konden vinden. En dat was alleen maar mogelijk als ze het helemaal niet geprobeerd hebben.

Volgende bijdrage Vorige bijdrage