Omdat ik er niet in slaagde genoeg geld te verdienen met illustreren, ging ik op zoek naar een baan. Ik vond een vacature voor grafisch vormgever van een chemisch blad in Zoetermeer. Niet echt naast de deur, want ik woon in ’t Gooi. Maar het was te doen.

Ik werd uitgenodigd voor een gesprek en reed met de auto naar Zoetermeer. Op het bedrijventerrein kwam ik in een file terecht. Ik kon niet parkeren op de parkeerplaats van de uitgeverij want die was afgesloten met een slagboom. In de file reed ik het bedrijventerrein weer af. Het was 1996, ik had geen mobiele telefoon en geen navigatiesysteem. Vanuit een bloemenwinkel heb ik opgebeld om uit te leggen waarom ik te laat was, en vroeg ik waar ik kon parkeren. Ze zouden de slagboom opendoen en me toelaten op het parkeerterrein.
Om dat ik te laat was, was de bovenbaas niet meer aanwezig, maar ik werd vriendelijk ontvangen door de onderbaas. Het gesprek verliep uitstekend. En het leek erop dat ik een goede kans maakte.
Een paar dagen later werd ik opgebeld door de onderbaas. Hij en de bovenbaas konden het niet eens worden. Daarom hadden ze een wedstrijd georganiseerd. Drie kandidaten werden uitgenodigd op de uitgeverij om deel te nemen aan die wedstrijd. De winnaar kreeg de baan.
Ik had een cursus gevolgd over het bemachtigen van een baan, en ik wist dat het werd afgeraden om aan dit soort grappen mee te doen. Bovendien vond ik Zoetermeer toch wel ver. Maar mijn man wilde erg graag dat ik doorzette, dus ik ging op de uitnodiging in.
We werden ontvangen in een zaaltje. De bovenbaas had intussen nog wat kandidaten toegevoegd. We moesten een artikel doorlezen, en dan een presentatie houden waarin we vertelden welke illustraties nodig waren om het artikel te verduidelijken. De werknemers van de uitgeverij zouden de presentatie bijwonen en democratisch beslissen wie de baan kreeg. Alle kandidaten kregen het telefoonnummer van de schrijver van het artikel, zodat we om uitleg konden vragen.
Het was geen eenvoudig artikel. Ik had een groot gedeelte van de beschikbare tijd nodig om het te doorgronden. Aan het eind stond een alinea die ik niet begreep. Daarom belde ik de schrijver op. Hij was al opgebeld door alle andere kandidaten, ik was de laatste. Hij vertelde me alles wat hij de anderen ook had verteld, nog voordat ik een vraag had gesteld. Daarna vroeg ik uitleg over de laatste alinea. Deze was bedoeld om concurrerende onderzoekers een beetje op stang te jagen. Dit hoefde niet nader uitgelegd te worden voor de andere lezers van het blad.
Tijdens de presentatie werd mij duidelijk dat geen van de andere kandidaten het artikel had begrepen. Ik was de laatste en vertelde waar het artikel wel over ging. De illustratie die de anderen voor hadden gesteld leek mij niet essentieel, en ik stelde een andere illustratie voor.
Toen ik klaar was vroeg de bovenbaas of de illustratie die de anderen hadden voorgesteld er niet bij moest. Ik was verbaasd. Het leek mij overbodig. Ik mompelde dat dat natuurlijk ook kon.
De werknemers van de uitgeverij moesten de presentaties beoordelen. Ze zagen er niet erg gelukkig uit. Dus toen ik een paar dagen later de onderbaas aan de telefoon kreeg was ik niet erg verbaasd toen hij vertelde dat ik de baan niet kreeg. “Ik dacht dat ik de enige was die het artikel begrepen had” zei ik. “Dat dacht ik ook” zei de onderbaas "maar anderen dachten er anders over".
Ik weet niet waarom de bovenbaas mij die baan niet wou geven. Mogelijk zag hij dat ik niet paste bij dat groepje werknemers dat zogenaamd de presentaties moest beoordelen. De onderbaas ook niet. Die heeft ontslag genomen.
Later vertelde ik dit verhaal aan een andere bovenbaas. Hij zei dat ik dit verhaal vooral niet verder moest vertellen, want dan zou niemand mij aannemen. Hij had gelijk, ik heb geen baan gevonden. Hij was overigens een vriend van die andere bovenbaas.

Volgende bijdrage Vorige bijdrage